maandag 17 juli 2017

Stadswild






Omdat het nuttige goed met het aangename verenigd kan worden, ben ik in zonnig hartje Den Haag, mijn geliefde geboortestad, begonnen aan een lange wandeling. Daar heb ik, tot het nut zich ’s middags weer aan zal dienen, namelijk ruim de tijd voor.
Nog maar nauwelijks echt onderweg, nog in de slagschaduw van het Centraal Station zogezegd, meen ik dan vanuit mijn ooghoek direct al iets bijzonders te zien en verdomd, daar zít ook iets bijzonders. Een eekhoorn! In het Haagse Bos, op steenworp afstand van de zojuist overgestoken A12 en het hectisch centrum van de grote stad, direct naast een druk bereden fietspad, sterker nog.. midden in een speeltuin, zit daar een eekhoorn.
Eekhoorns, dat zijn bij mijn weten ontzettend schuwe beestjes die je alleen bij hoge uitzondering en met veel geluk af en toe te zien krijgt als je met je ouders op vakantie bent in een bos ver weg op de Veluwe. Zó lang is het geleden dat ik een eekhoorn heb gezien.
En automatisch doe ik wat mij toen geleerd is: héééél stil zijn, niet bewegen en kijken.
Heel voorzichtig ook neem ik een paar foto’s, met de camera op maximaal inzoomen dus tot mislukken gedoemd, maar goed, je moet wat, als je wild ziet.
Na een tijdje zo in de gloria geweest te zijn, besluit ik een poging te wagen iets dichterbij te komen, omdat ik per slot toch ook weer een keer door wil lopen. En dan pas wordt het me duidelijk, hoe het zit. Want in tegenstelling tot wat ik verwacht had, vlucht de eekhoorn niet karakteristiek schichtig zigzaggend en spiralend de dichtstbijzijnde boom in, maar blijft hij zitten waar hij zit en keurt me geen blik waardig. Terwijl ik me nou niet bepaald als Winnetou over de bosgrond beweeg. En om het me nog beter in te wrijven krijgt hij uit de dichtstbijzijnde boom zelfs nog gezelschap van een tweede eekhoorn. Verderop zie ik er nog drie scharrelen trouwens.
Goed, de tijd heeft ook voor de eekhoorn niet stil gestaan begrijp ik, en het zal misschien niet lang meer duren voor je ze bij je terrastafeltje weg moet jagen.
Toch koester ik tot diep in Wassenaar mijn geluksgevoel.
Een eekhoorn! Vlakbij!

Uit: Terug in de Horsten, gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar.

woensdag 12 juli 2017

Kunst=leuk (!)





Say Cheese
, de tentoonstelling van Martin Creed in museum Voorlinden, is genomineerd als Best Exhibition Of The Year. In het Engels, want in samenwerking met niet minder dan The New York Times. Ik las erover in mijn eigen krant. Of op facebook. Allebei waarschijnlijk, want ik ben ouderwets en modern tegelijk, omdat ik nou eenmaal niet kan kiezen. Al is facebook natuurlijk ook niet direct hot meer, dat weet ik heus wel, maar ik dwaal af.
De beste tentoonstelling van het jaar dus. Van de héle wereld nog maar liefst. Dat is nogal wat. Tjongejonge, toe maar.
Je zou je natuurlijk kunnen afvragen welke algemeen geldende criteria daar precies bij zijn gehanteerd. En wie die heeft opgesteld. En of wel alle tentoonstellingen van de hele wereld netjes en uitputtend zijn bezocht en objectief volgens een sluitend systeem beoordeeld en getoetst. Een hele klus, lijkt mij.
Je zou je daarnaast kunnen afvragen waarom er van hogerhand voor ons bepaald moet worden wat we het beste moeten vinden. Welke tentoonstelling we móeten bezoeken, of bezocht hádden moeten hebben, om erbij te horen. Waarom we niet zelf uit mogen maken wat we mooi of de moeite waard vinden. Of niet.
Je zou je ook kunnen afvragen waarom alles altijd maar een wedstrijd moet zijn. En waarom het blijkbaar zo belangrijk is wie de grootste, de langste, de dikste of de duurste heeft. De meest verkochte, de drukst bezochte, de best bekeken. Waarom dat steeds zo benoemd en benadrukt moet worden. Met predikaten, stickers en uitroeptekens in de overtreffendste trap. Wat een armoe! Het wordt er allemaal niet interessanter van.
Maar goed, dan ben je waarschijnlijk weer een zeurpiet en een azijnpisser en dat wil ik niet, dus dat laat ik allemaal achterwege. Het is een mooie opsteker voor het splinternieuwe museum Voorlinden, en verder negeer ik het hele gebeuren en zeg gewoon dat Say Cheese van Martin Creed een buitengewoon grappige, inspirerende en prikkelende tentoonstelling is. Of was eigenlijk, want hij is al weer een tijdje voorbij. Wie er niet geweest is, heeft het gemist en zal het nooit weten, hoe leuk het was.
Jazeker: leuk. Een verboden woord natuurlijk, in combinatie met kunst. Leuk, dat is oppervlakkig en inhoudsloos en nietszeggend. Beledigend, feitelijk. Maar in dit geval toch echt op zijn plaats en niks mis mee. Want als je het niet leuk vindt om naar vier op elkaar gestapelde stoelen als kunstwerk te kijken, dan is het wel weer leuk om te kijken naar de dame die er ernstige rondjes om heen draait, de brochure in de hand, om het op zich in te laten werken. Om het te doorgronden. En ik vind dat allebei leuk omdat ik het leuk vind om te denken dat het daar hier een beetje om gaat. Dat ik het daarmee heb doorgrond. Dat er hier een beetje gedold wordt met de ingewikkeldmakerij die vaak bij kunst komt kijken. En dat vind ik dus leuk, want daar heb ik zelf ook altijd een hekel aan, aan die dikdoenerij. Sta je net lekker naar een kunstwerk te kijken, loop je net vrolijk door de zalen te genieten, staat er weer een afgestudeerd conservator pretentieus aan je kop te zeuren met onbegrijpelijke prietpraat. Om het werk te duiden. En in een kunsthistorisch perspectief te plaatsen.



Kijk, we zien hier dus gewoon een torentje van vier stoelen, gestapeld van groot naar klein. Als je het dan per se zou moeten duiden, zou je zomaar uit kunnen komen bij de Bremer stadsmuzikanten. Maar dat is te oppervlakkig, voor de brochure. Daar staat namelijk in te lezen, over dit torentje, dat het een verzameling gelijksoortige, alledaagse objecten is, geordend van groot naar klein. En: dat het simpel lijkt, maar dat juist de verzameling van gelijksoortigen maakt dat de verschillen opvallen, en de waarneming verscherpt: de textuur van de bekleding, de lengte van de stoelpoten, de barst in de rugleuning van de bovenste stoel. En: dat het een weloverwogen geheel is.
Goed. En wat zegt de kunstenaar er zelf over? Een stoel wil ook wel eens zitten.
En dat vind ik dan dus veel leuker. En dan denk ik dus dat Martin Creed daarmee een lange neus trekt naar de schrijver van de brochure én de dame die er ernstige rondjes mee om een stapeltje stoelen draait om de essentie van het werk te vatten. Wat haar niet zal lukken omdat zij die essentie zelf is. Waarmee ik dus bij dezen, als mede-onderdeel van diezelfde essentie, dit werk evengoed heb geduid, als onbezoldigd gastconservator, met mijn eigen onbegrijpelijke pretentieuze prietpraat, en de cirkel is gesloten. Altijd fijn, gesloten cirkels.
Leuk dus, kunst of niet. Dat begint meteen al bij de eerste zaal, die van wand tot wand en tot halverwege het plafond is afgevuld met blauwe ballonnen. Het is leuk om daar armenzwaaiend doorheen te banjeren, de ballonnen tot boven je hoofd, je bent al meteen als een kind zo blij. Het is óók leuk om de keurig in pak gestoken dames en heren van wat een bedrijfsuitje van een bank lijkt te zijn daarvoor in de rij te zien staan, met nauwverholen enthousiasme de ballenbak te zien betreden. Of om de giechelende dames met statische kapsels aan de andere kant weer naar buiten te zien komen. Ook leuk: het wanhopig, tot mislukken gedoemd gehannes van de suppoosten om de ballonnen ín de zaal te houden bij het openen van de deuren.
Dan zit de stemming er dus al in. En volgt nog de rest. Waaronder een zaal gevuld met het geluid van 39 metronomen, elk op hun eigen tempo in een psychedelisch nonritme; een wandschildering van helgele één-roller-brede banen, almaar rechtdoor van links naar rechts; een rij van 29 cactussen, van piepklein naar behoorlijk groot, tegen een achtergrond van een zaalhoge piramide van wc-rollen; een wand van boven naar beneden volgeplakt met alle kleuren en soorten tape van vijf centimeter breed die de kunstenaar kon vinden; een flinke stapel houten platen; een gothic pianiste die op gezette tijden het klavier van hoog naar laag en terug afwerkt; duizend afdrukken van vijfhonderd doorgesneden stronken broccoli in alle denkbare kleuren, keurig, zo goed als wandvullend, in slagorde ingelijst; een zaal met drie verschillende maar even aftandse Fiats en naarmate je vordert in de tentoonstelling krijg je er langzaamaan een vrolijke soundtrack bij vanuit de videozaal, waar Martin Creed behalve kunstenaar ook filmer en muzikant blijkt te zijn. En steeds is het niet alleen de lichte toets van de afzonderlijke kunstwerken die het doet, het is eerder de merkwaardige, uitgelaten sfeer van de tentoonstelling in zijn geheel die je betovert.
Dus.. Je moet wel een enorm stuk chagrijn zijn wil je niet vrolijk worden van deze tentoonstelling. Zó leuk. Noem dát maar geen kunst.

Een bezoek aan de tentoonstelling Say Cheese van Martin Creed in museum Voorlinden

maandag 10 juli 2017

Koekoek






Het leven was zo slecht nog niet. De man bedacht het, niet voor het eerst gelukkig, tijdens zijn ochtendwandeling. Want dat deed hij dan tegenwoordig. Om de dag vóór te zijn, stond hij wat vroeger op en maakte een ochtendwandeling. Met flinke pas stapte hij de luttele bebouwde kom van zijn woonplaats uit en werd zo, tussen de weilanden en de vergezichten, langzaamaan wakker. Met een uitstekend humeurtje, want zo werkte dat. De wind door zijn kuif, de zon op zijn bol, zijn ene voet voor de andere. Nee, het leven was zo slecht nog niet, bedacht hij dan vaak. En dat was een prettige gedachte om de dag daarna mee te beginnen. Die kreeg hij er gratis bij.
Vaak had hij onderweg kleine ontmoetingen die de boel er nog beter op maakten. Een haas die vergat op tijd weg te rennen bijvoorbeeld. Een koppel achterdochtige zwanen met een trosje pullen tussen zich in, een v-tje ganzen op doortocht, een stelletje kijvende waterkippen, een fuut. Of, ook altijd goed, een gezelschapje nieuwsgierige pinken, nooit te beroerd om met z’n allen op een kluitje naar je te komen kijken, aan de andere kant van de sloot, in de hoek van hun weiland.
Vanochtend had de man ook zo’n ontmoeting. Ditmaal met de koekoek. Een bijzondere ontmoeting, vond de man het, omdat hij, behalve op plaatjes, nog nooit een koekoek had gezien. Nog nooit. Hoewel hij ze wel zeer regelmatig hoorde, ergens ver weg. Wat hem, zonder nu de indruk te willen wekken dat hij er verstand van had, het idee had gegeven dat het een algemeen voorkomende vogel moest zijn. Nog nooit.
Tot vanochtend dus. Vanuit een boompje langs zijn weg hoorde hij eerst het immer vrolijk stemmende koekoek, waarna hij de bijbehorende vogel uit zijn schuilplaats zag opvliegen en verdwijnen. De man herkende hem van de plaatjes.
Die had hem dus zien aankomen. Die had misschien van schrik per ongeluk koekoek geroepen, voor ie dan toch maar het hazenpad koos. De man keek hem na in zijn vlucht. Aangekomen in de verte riep de vogel, ter bevestiging dat híj het was, nog éénmaal koekoek.
En de man vervolgde zijn weg. Tevreden met het leven. Dat was zo slecht nog niet.

dinsdag 4 juli 2017

Ontlasting (poep)





Als Nederlands staatsburger van zekere leeftijd ontving de man onlangs de uitnodiging deel te nemen aan een bevolkingsonderzoek. Uitnodiging, beleefd verzoek, dringend advies, aansporing.. de man wist niet precies hoe hij het zou duiden. Het was een bevolkingsonderzoek naar darmkanker, dat maakte het wat verontrustend. Niet alleen de gedachte aan de ziekte zelf was verontrustend, of de veronderstelling dat hij dat blijkbaar zou kunnen hebben.. hij werd ook allerminst aangesproken door het idee dat hij op enig moment in een witte bus op het dorpsplein werd verwacht om.. ja, om wat te doen eigenlijk?
Maar zo liep het niet.
Een week of twee na de eerste aankondiging ontving de man een ingewikkeld vormgegeven plastic envelop met uitgebreide informatie in woord en beeld, alsmede een plastic retour-envelop met sluitstrip, plus een zakje met een geheimzinnig buisje. Een plastic reageerbuisje met vloeistof en een staafje aan een dopje dat je eruit kon draaien. Een groen staafje, met een geribbeld uiteinde.
In de uitgebreide informatie in woord en beeld werd uitgelegd wat de bedoeling was. Het geribbelde uiteinde van het groene staafje moest op vier verschillende plaatsen in de ontlasting worden gestoken, waarna het staafje weer terug moest worden gedaan in het reageerbuisje, dat vervolgens in de plastic retour-envelop kon worden opgestuurd. Naar het laboratorium des vaderlands. Na enige tijd ontving men dan bericht met nadere instructies.
Om te beginnen vond de man de uitgebreide informatie in woord en beeld zeer vermakelijke lectuur, ja, sorry.. daar kon hij verder ook weinig aan doen. Hij was dan wel van zekere leeftijd, sommige zaken zijn blijkbaar tijdloos. Accepteren maar. Vooral het feit dat telkens wanneer het woord ontlasting viel, daar tussen haakjes het woordje (poep) achter stond, werkte op zijn giechelspieren. Jammer vond hij het dan weer dat deze kleuterende aanpak niet consequent werd doorgevoerd, zodat achter het woord urine geen (pies) stond.
Enfin.
Het was best nog een onderneming. Zo mocht de ontlasting (poep) bijvoorbeeld absoluut niet in aanraking komen met water (H2O) of urine (pies). Denkt u daar maar eens over na. De man had dat nog nooit gedaan. Nu moest het.
Verder mocht er niet te veel ontlasting (poep) aan het staafje zitten, maar ook zeker niet te weinig. Hoe beoordeelde je dat, vroeg de man zich af. Moesten alle ribbeltjes vol? Was het erg als je daar vijf keer voor moest prikken? Wat deed je als er meteen de eerste keer al een hele klont aan bleef plakken? De man kon zich niet herinneren ooit zó geconcentreerd met zijn ontlasting (poep) te zijn bezig geweest. Of het moest die keer zijn dat hij er als baby een kunstzinnige vlek mee op het ouderlijk behang had gemaakt, waar nog jarenlang een armoeiig kleedje voor gehangen heeft. Maar dat herinnerde hij zich uiteraard alleen uit de tweede hand.
Tot slot moest rekening gehouden worden met het moment van verzenden. Het buisje met ontlasting (poep) mocht beslist niet langer dan één dag onderweg zijn. Het moest bovendien tot het moment van verzenden koel bewaard worden. Het beste kon er dus tussen maandag en donderdag worden gehandeld (gepoept). Het lot viel op maandagochtend, voor de man. De warmste maandag in juni sinds het begin van de jaartelling. Om te voorkomen dat zijn inzending een halve dag in een brievenbus stond op te warmen, had de man de plastic retour-envelop met zijn ontlasting (poep) dan in vredesnaam maar in de koelkast gelegd. Zelfs was hij even naar de brievenbus gelopen om te checken hoe laat die geleegd zou worden, om het buisje aan het eind van de lange hete dag net een kwartiertje vóór die tijd op de post te doen.
Hij had als een goed, voorkomend burger zijn uiterste best gedaan, wilde hij maar zeggen. Voor zijn eigen bestwil, dat spreekt.
Nu had hij deze week een brief met de uitslag gekregen. En die was ‘gunstig’. En weer wist de man niet precies hoe hij dat zou duiden. Gunstig. Dat was niet slecht. Niet ongunstig, zogezegd. Maar echt goed was het toch ook weer niet, gunstig. Niet dat hij zich nu zorgen maakte, maar voor al het gedoe, en alle aandacht die hij eraan had besteed, vond de man het wel wat zuinigjes.

donderdag 29 juni 2017

Multitasken





De man zat op zijn plek. Achter zijn computer, in een poging iets op te schrijven. Iets van een originele gedachte. Of gewoon een gedachte desnoods.
Wat nog niet meeviel.
Niet omdat hij geen originele gedachten zou hebben, maar omdat zijn oudste zoon - in zijn eigen kamertje maar ruim binnen gehoorsafstand - zijn derde theorie-examen zat voor te bereiden. Die zat, zoals hij het zelf noemde, te studeren. En dat ging, geheel volgens de mores der moderne tijd, online.
Zijn zoon zat uiterst relaxed onderuitgezakt op zijn draaiende burostoel, zijn voeten op tafel, een flinke beker icetea en de mobiel binnen handbereik, terwijl op zijn laptop het werk voor hem gedaan werd. Met sonore stem las een meneer passages voor uit het theorieboek, op het scherm werden ondertussen al even sonore verkeerssituaties getoond waarvan je mocht aannemen dat ze met de voorgedragen tekst correspondeerden.
Na een tijdje begon de man wel ernstig te betwijfelen of de stem van een echte meneer was. Het leek er meer op dat hier de oude TomTom zelf aan een lange monoloog bezig was.
Maar goed, op zijn eigen originele gedachten kon hij zich nu dus niet meer concentreren, en al was de meneer letterlijk woordelijk verstaanbaar en kon de man niet anders dan naar hem luisteren, hij slaagde er ook niet in zich op diens verhaal te focussen. Hoewel daar dus ook geen enkele reden voor was omdat de man zijn theorie-examen al lang en breed in de pocket had. Gewoon uit een boekje. In één keer. Met slechts één fout. Wilde hij nog maar eens benadrukken.
Er zou wel niet veel meer worden opgeschreven vanochtend, dacht de man toen maar. En dat hij dat er maar even voor over moest hebben, voor de goede afloop. Dat hij blij moest zijn dat zijn zoon in elk geval iets aan voorbereiding deed. Daarna veranderde zijn bewustzijn langzaam maar zeker in een wollige zoemtoon.
Waaruit hij - hoeveel tijd later?? - plotseling opschrok door een juichende kreet van zijn zoon.
‘Móói!’, riep die, dwars door de onverstoorbaar doorzoemende meneer heen.
De man vroeg zich af wat er zo mooi zou zijn, maar dat kwam er meteen achteraan:
‘Mijn salaris is ook weer binnen!’.
Vanmiddag was het examen. Het zou de man benieuwen.

vrijdag 23 juni 2017

Het aangenaam verpozen

Met een buitengewoon opgeruimd humeur en nog lang niet moe loop ik door een bos ergens in Friesland. Al maakt het verder niet uit waar het is. Na een halve dag zonder noemenswaardige ontmoetingen, wat heel fijn kan zijn aan een flinke wandeling, stappen er nu, een eindje voor mij, plotseling twee mannen uit de berm. Een tikkeltje schichtig, is mijn indruk.
Het zijn twee nogal glimmende mannen, met kaalgeschoren, opgepoetste hoofden en rooie oortjes. Ze dralen wat maar besluiten dan toch voor mij uit te gaan lopen. Misschien om een groet, of een confrontatie van dichterbij, waar ikzelf eerlijk gezegd ook niet erg op gebrand ben, te vermijden.
Eén van hen draagt een rugzak maar ik houd ze niet voor wandelaars, daarvoor lopen ze ook te langzaam. En te mooi. Een knalroze condoomverpakking, na het aangenaam verpozen in de berm achtergelaten, bevestigt mijn vermoeden.
‘We hebben gezelschap gekregen’, hoor ik de mannen tegen elkaar kirren als ik ze blijkbaar te dicht naar hun zin ben genaderd en ik erger me eraan dat ík me nu gegeneerd moet voelen bij de situatie. Ik erger me er óók aan dat ik me daarna volautomatisch afvraag of die ergernis wel past bij de tolerante instelling die ik mijzelf toedicht. Maar ik besluit dat het wel kan. Dat het weinig stijlvol gedrag is, en ergernis dus zeker op zijn plaats. En dat dat verder nergens mee te maken heeft.
Ik heb geen zin om achter het tweetal te blijven hangen, en ik heb ook geen zin om voor ze uit te lopen. Al ben ik dus nog lang niet moe, toch neem ik een kwartier pauze. Om ze kwijt te raken. De mannen, en mijn ergernis.

Uit: Noblesse oblige, gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar.

zaterdag 17 juni 2017

De kunst van het weglaten





H
et valt me op, bij een bezoek aan mijn geboortestad, dat Den Haag lijdt aan de ziekte van Mondriaan. Een duidelijk geval, zie ik als ik er zo eens doorheen loop. Op de raarste plekken vertoont het straatbeeld een felgekleurde uitslag. Op tramhaltes en pleinen, gevels en schuttingen, bankfilialen, kantoorkolossen, musea en ijspaleizen, in etalages en vijvers.. waar je kijkt zie je rode, blauwe en gele vlekken, vierkant en rechthoekig, in willekeurige formaties bij elkaar geharkt met meestal nog een handvol achteloos neergegooide zwarte lijnen. Hoppeta.. wéér een eerbetoon aan de 100 jarige Stijlbeweging, en dan met name diens bekendste zoon. Die zich natuurlijk driewerf omdraait in zijn graf bij al dat goedkoop en liefdeloos hoeren en sloeren met zijn werk. Een levenslange zoektocht teruggebracht tot een placemat van de Action. Kunst behapbaar gemaakt voor de ignorante SBS6-consument. Mondriaan als Bekende Nederlander. Ik krijg er jeuk van op een nare plaats waar ik net niet bij kan.

Uit: Terug in de Horsten, gepubliceerd op De Vrije Wandeling, weblog van een wandelaar.

maandag 24 april 2017

Old skool




V
olkomen onverwacht vroeg zijn jongste zoon hem vandaag of hij zijn biebpas mocht lenen.
De man viel bijna van zijn stoel, toen hij dat hoorde. Zonder zich te bezeren gelukkig, omdat het alleen figuurlijk was en hij in werkelijkheid de was stond te vouwen, maar evengoed.. had hij dat nou goed verstaan? Vroeg zijn jongste zoon hem daar om zoiets analoogs en twintigste eeuws als een biebpas?
Zelf ging de man nog regelmatig naar de bibliotheek. Om papieren boeken te lenen, want dat moest je er bij zeggen tegenwoordig, dat ze van papier waren. Boeken die hij dan thuis, in een stoel, met een kopje thee ging zitten lezen. En als het een goed boek was, werd de thee koud en het huishouden vergeten. Heel old skool allemaal, maar hij deed er verder geen vlieg kwaad mee.
Van zijn jongste zoon verbaasde het hem eerlijk gezegd dat die dus nog scheen te weten dat er zoiets als een bibliotheek bestond. De meeste andere educatieve uitjes waarop hij hem als leuke jonge vader had meegenomen waren zo goed als vergeten, zo bleek vrij regelmatig. Hij had het allemaal net zo goed kunnen laten, dacht de man wel eens monkelend, al was zijn zoon nu dan toch maar mooi op weg naar de bibliotheek. Zijn vaderhart veerde op.
Tot hij het gevouwen wasgoed van de jongste in zijn kamertje legde en op zijn buro - althans.. de stapel rotzooi waaronder zijn buro voor het laatst was gesignaleerd - de doos van Assassins Creed zag liggen. Een mild-moorddadig computerspel dat enige jaren geleden, toen zijn vrouw en de man de strijd nog niet hadden opgegeven, na lange onderhandelingen als eerste echte game naast Minecraft werd getolereerd. Inmiddels speelden zich zonder enige vorm van onderhandeling vrij continu veel verschrikkelijker dingen af, op de schermen van hun jongens. Dingen waarvan de man zich dan afvroeg waarom dat eigenlijk nog een spel werd genoemd. Amusement. En wat daar dan in vredesnaam precies leuk aan was. Dingen waarvoor je, als het op het journaal kwam, gewaarschuwd werd. Dat het schokkende beelden bevatte.
Maar goed, nu begreep de man dus wat zijn zoon in de bibliotheek te zoeken had. Nieuwe games. Duh. Op de één of andere manier vond hij het ook wel weer een geruststellende gedachte. Dit paste tenminste in het plaatje.
En toen - ik verzin dit niet, zou Sylvia Witteman zeggen - kwam zijn zoon thuis met twee dikke papieren boeken met hele kleine lettertjes over de geschiedenis van het Romeinse Rijk. Want dat leek hem interessant..
Daar zat de man dan, met zijn plaatje. Wie zou het puberbrein ooit begrijpen? Hij niet in elk geval.

dinsdag 18 april 2017

Een avond met de vertaler des Vaderlands




L
eeft die nog? Tot twee keer toe is dat de oprecht verbaasde reactie wanneer ik vertel dat ik naar een concert van Jan Rot ga. Twéé keer. Onafhankelijk van elkaar. Zo staan de zaken er blijkbaar voor, voor Jan Rot. Tjees. Terwijl zijn programma van de avond nog wel ‘Jong en veelbelovend’ heet. Wat dan wel weer meteen het andere uiterste is, maar goed, dat slaat ook meer op de ondertitel van de show: De jaren 70 van Jan Rot. En zo valt alles op zijn plek, want in de jaren 70 was Jan Rot dat inderdaad, jong en veelbelovend. Wil hij maar zeggen.
Inmiddels, bijna een halve eeuw later, heeft hij zich wel als een blijverdje bewezen. Als een soort vertaler des Vaderlands voorziet hij al tientallen jaren alles wat los en vast zit van een passende Nederlandse tekst. Van de Matthäus Passion tot en met de rockopera Tommy, en veel daar tussenin. Begin dit jaar verscheen een veelgeprezen boek met al zijn eigen liedteksten en vertalingen. Een boek zó dik dat er niet eens meer plek was voor een volledig register, wat het weliswaar weinig overzichtelijk maar niet minder indrukwekkend maakt. Gelijk het oeuvre, nietwaar?
Normaalgesproken, opent Jan Rot de avond, vraagt hij wie de jaren 70 nog heeft meegemaakt. Maar dat hij vanavond beter kan vragen wie ze níet heeft meegemaakt. Het ziet inderdaad grijs van de mensen, in de goedgevulde Amer, en de zaal lacht welwillend om het grapje. Jan Rot weet natuurlijk ook wel dat wij ook wel weten dat hij normaalgesproken heus niet in een met trendy tieners volgestampt Paradiso zijn ultrahippe ding staat te doen. Met The Streetbeats lukte dat misschien nog, in de jaren 70 inderdaad, maar met het programma van vanavond zou hij daar zeker geen deuk in een pakje Zeeuws Meisje slaan. Jan Rot zet vol in op de nostalgie, een veelgevraagd sentiment in dit bange tijdsgewricht waarin we het ook allemaal niet meer weten, zeker bij de generatie die hij vanavond voor zich heeft, dus dat is geen toeval. En dat geeft ook helemaal niet want het levert ons allemaal een buitengewoon genoeglijke avond op.
Aan de hand van krantenkoppen en hitlijsten neemt Jan Rot ons chronologisch hap snap mee door de jaren 70, met een liedje en een praatje. Af en toe doet hij een Leo Blokhuisje Light, met muzikale feitjes en weetjes die iedereen weet. Wie zong ook weer over Alice?* Wie weet nog hoe de gitarist van Roxy Music heette?** Wat was de echte naam van Bromsnor?*** Het zijn vragen die de zaal al roepend mag beantwoorden, er kan af en toe worden meegezongen op de toppers van toen, maar dan op de vertaalde tekst van Jan Rot.. het gaat erin als krentenmik met boter.
De rode draad in het verhaal is Jan Rot zelf, die in de jaren 70 opgroeide van puber tot jong en veelbelovend artiest dus. Met smakelijke anekdotes over kinderleed, de prille liefde en de eerste schreden op de weg naar de roem. Zo leren we bijvoorbeeld dat de frontman van The Sex Pistols, Johnny Rotten immers, zijn naam gewoon van onze Jan heeft gejat, tijdens een toevallige ontmoeting in Londen. That's a fuckin' good name, zou hij geroepen hebben. Of het allemaal echt waar is, wie maalt erom? Het is een mooi verhaal.
En ieder verhaal geïllustreerd met de vertaling van een toepasselijke hit. Of een eigen lied, want - dat zou je bijna vergeten - die zijn er ook nog. En dat zijn zeker niet de minste. Zeker niet. Een ontroerend moment in de voorstelling is bijvoorbeeld ‘Stel dat het zou kunnen’, dat in 2015 met de Annie MG Schmidtprijs voor het beste theaterlied werd onderscheiden.
Soms zijn de vertalingen van Jan Rot aan de melige kant, naar mijn smaak, maar in de context van deze gezellige avond in de feestzaal achter het dorpscafé, live uitgevoerd en met een sappig verteld verhaal erbij, komen ze uitstekend tot hun recht. Zelfs met de vertaling van het toch al drakerige Angie, waarin Ankie rijmt op bankie, plankie en Frankie, komt hij weg, wat mij betreft. En hetzelfde geldt voor het laatste nummer, My way, over draken gesproken. Omdat hij, besluit Jan Rot de avond, ook zomaar om kan vallen, zoals zovelen het afgelopen jaar.
Maar voorlopig leeft hij dus nog. Gelukkig.

*ǝᴉʞoɯs **ɐɹǝuɐzuɐɯ lᴉɥd ***slǝǝƃ nol

Wij zagen Jan Rot in café de Amer, in Amen, Drenthe. Kijk voor een speellijst even op janrot.nl Bezoek ook het YouTubekanaal van Jan Rot.

zaterdag 15 april 2017

Merel





T
oen ik thuis kwam, van het één of ander, lag er een merel op het tuinpad. Een vrouwtje, was het. Bewegingloos lag ze daar, aan mijn voeten. Dood was ze niet, maar veel leven leek er ook niet in te zitten. Het was een volwassen exemplaar, voor overmoedige nestvlieders is het ook nog veel te vroeg in het seizoen. Met lijdzame blik zat ze af te wachten wat komen ging. Dat was blijkbaar aan mij.
Tja. Ik wist ook niet precies wat komen ging. Dat wil zeggen, als er niets gebeurde had ik wel een vermoeden van wat komen ging, het wemelde van de katten in de straat. Ik wist alleen zo snel niet wat mij nu te doen stond.
Wat moet je met zo’n beestje? Mee naar binnen nemen en in een kartonnen doos langzaam weg laten kwijnen leek me geen optie, zelf hebben we bovendien ook een kat, een complicerende factor. En was er niet iets van een vogelziekte? De dierenambulance zag me al aankomen natuurlijk en het beest de genadeklap geven, nee, daar ben ik de man niet voor.
Maar ja, ze lag wel op mijn tuinpad. Ik wilde haar ook niet aan de wilde dieren overleveren.
Of in bloederige stukken terugvinden op de deurmat, dat ook niet.
Ik boog me eens voorover om te zien of ik kon zien wat er aan de hand was, maar veel wijzer werd ik niet. Dat ik haar bemoedigend met mijn vinger over de kop kon aaien zonder enige reactie, leek mij geen goed teken.
Verdorie, daar stond ik dan. Ik keek eens links en rechts de straat in, of daar misschien een oplossing aan kwam lopen, een minder besluiteloos iemand dan ik bijvoorbeeld, maar nee.. ik stond er alleen voor.
Alleen met de merel.
Die toen zonder enige overgang pardoes opvloog, met een energiek roefff, en in karakteristieke vlucht drie huizen verder de hoek om uit zicht verdween. In een oogwenk opgestaan uit de dood.
Later, het voorval alweer bijna vergeten, zag ik boven op de ruit van de balkondeur nog een ordeloze afdruk van wat vooraf was gegaan.

dinsdag 11 april 2017

Hannah





I
n het museum dat ik bezocht, ontmoette ik een bekende. Ze stond vlak naast me en keek naar het werk naast het mijne. Het werk naast het werk dat ik bekeek, bedoel ik dan, voordat er misschien gedacht wordt dat mijn werk in een museum hangt en dat ik daarover wil opscheppen, maar daarvan is zover ik weet geen sprake. Van een werk van mij in een museum, bedoel ik dan weer, want als daar wel sprake van was, zou ik daar zeker over opscheppen. Maar dat hoeft dus niet. Jammer genoeg natuurlijk, maar goed, het is al mooi dat ik zelf zo af en toe nog in een museum kom. Dat kun je ook niet van iedereen zeggen.
Wel van de bekende, want die stond naast me en bekeek het werk naast het mijne, als hierboven omschreven. Mijn aandacht was inmiddels van het werk tegenover mij afgeleid naar de bekende naast me, waarvan ik trouwens alleen maar de allereerste tellen vanuit mijn ooghoek dacht dat het wel eens een bekende kon zijn, tot ik mij realiseerde dat ik haar kende van tv. Van Netflix, om precies te zijn, want niets menselijks is mij vreemd en ik zit dus ook regelmatig mijn kostbare avonden te verdoen met de ene aflevering na de andere serie. Please like me, in dit geval. Een Australische comedy over dolende dertigers, of twijfelende twintigers, jonge mensen in elk geval, die voor een groot deel bestaat uit onnavolgbaar ongemakkelijke dialogen en ingewikkelde gesprekken tussen de verschillende hoofdpersonen. Ik kan hem ten zeerste aanbevelen. Een aangenaam lichte toets tussen het duistere en voortdurend op de loer liggende, naargeestige geweld van Homeland, Narcos en Designated Survivor, om maar eens wat ander binge-materiaal te noemen.
Het was Hannah, die naast me stond. Hannah, uit Please like me. Realiseerde ik mij. Maar ook dat zij dat dus niet kon zijn en dat het alleen maar iemand was die er sterk op leek. Hetzelfde wat plompe, peervormige figuur, het praktische korte haar, het zware brilmontuur, de wat afwezige, stuurse blik.. het was haar helemaal. Behalve dat ze het natuurlijk niet was. Natuurlijk was ze het niet. Ik bedoel.. Australië..
Toch had ik de aanvechting haar te groeten. Dahag.. Om vervolgens omstandig en steeds gênanter uit te leggen op wie ze volgens mij leek zeker: een plomp, peervormig, lesbisch en lethargisch depressief personage uit een serie waar ze dan waarschijnlijk ook nog nooit van gehoord had. Of die ze afschuwelijk vond, want dat kon ook nog.
Ik heb het dus maar niet gedaan, dat groeten. Jammer eigenlijk. Het had hoogstwaarschijnlijk net het soort onnavolgbaar ongemakkelijke dialoog opgeleverd dat ik in Please like me zo leuk vond.

dinsdag 14 februari 2017

De drie leeuwen




















Uit de serie: Geen Kunst
Laat u rondleiden door beeldentuin De Wereld door de gids

Je komt het tegen, op je pad. Het ís geen kunst, maar zou dat zomaar wél kunnen zijn. Het is maar net hoe je er naar kijkt. En of je het wilt zien. De wereld een beeldentuin.